De vogel is gevlogen

Er was eens een vogeltje dat besloot de aankomende winter eens niet naar het zuiden te vliegen maar lekker in Nederland te blijven. Op een dag eind november nam hij emotioneel afscheid van zijn broertjes, zusjes, vader, moeder en al zijn oom's en tante's. Hevig zwaaiend met zijn vleugeltjes, met dikke tranen maar zelfverzekerd en achter zijn eigen keuze staand woof hij ze gedag toen zij vertrokken naar warmere oorden om te overwinteren. De dagen gingen in vogel vreugde voorbij totdat het toch wel erg koud werd voor het vogeltje en hij toch maar begon aan zijn tocht naar het zuiden. Met zijn koddige kleine maar zeer koude vogelpootjes nam hij een aanloopje en met veel moeite kwam hij een beetje de lucht in. Door de inspanning die hij verrichtte kwam er wat meer warmte vrij in zijn vleugeltjes en kon hij beetje bij beetje stijgen. Maar hoe hoger hij steeg, hoe kouder het werd en des te meer zijn vleugeltjes bevroren. Hoe meer hij steeg, hoe kouder het werd. Hij was zo'n 3 km op weg en op 50 meter hoogte toen hij het niet meer aankon, zijn vleugels bevroren. In zijn gedachten nam hij al afscheid van de wereld en bedacht hij zich dat hij zijn leuke, gezellige maar vooral warme vogelfamilie nooit meer zou gaan zien. Hij stortte in vrije val richting moeder aarde. Het zag er naar uit dat, niet veel later zijn fijne vogel leventje op dramatische wijze zou gaan eindigen.

Het vogeltje plofte niet op een keiharde koude ondergrond maar in een net vers gedraaide koeienvlaai midden in een afgelegen weiland. Niet de doodsmak op de vloer zou zijn einde betekenen, maar de gruwelijke verdrink- en stikdood stond hem te wachten.

Maar iets geheel anders voltrok zich. Zijn bevroren vleugeltjes ontdooiden, zijn hartje ging weer kloppen, de warmte van de vlaai verwarmde het kleine vogellichaampje tot aangename temperatuur. Het vogeltje kreeg er lol in, voelde zich fijn en draaide zich een warm nestje in de vlaai. Hoe mooi kon een vogel leventje zijn, aan niks ontbrak het hem. Hij begon het zo naar zijn vogelzin te krijgen dat hij luid begon te kwetteren.

Maar dat bleef niet onopgemerkt door een kat die 5 meter verderop aan het jagen was. De kat richtte zich op zoals een kat dat normaliter doet vlak voordat hij zijn beoogde prooi aanvalt; langzaam sloop hij al tijgerend (leuke woordspeling) dichter naar de vlaai. Op een metertje afstand van de vlaai stopte hij, maakte zich klein, kromde zijn kattenrug, besprong het vogeltje en vrat het met huid en veer op....

Wat zijn de drie moralen, zeg maar de drie levenslessen die te destilleren zijn uit dit verhaal?

1) Degene die er voor zorgt dat je in de stront zit, is niet altijd je vijand,
2) Degene die je uit de stront haalt, is niet per definitie je vriend en

3) Als je diep in de stront zit moet je geen grote bek hebben.